Home | Account | Zoek
Het Autosalon: gas geven en remmen tegelijk
Het hadden er zeshonderdduizend moeten worden, maar de teller bleef steken op 561.555. De negentigste editie van het Autosalon, die op 22 januari in Brussels Expo haar beslag kreeg, moest het doen met 7% minder bezoekers. Stop die zakdoek maar opnieuw weg; bij de sluiting kon uit de mond van een dozijn woordvoerders opgetekend worden dat het salon ‘toch zo slecht niet was geweest’. Ruim meer dan een half miljoen op pakweg 11 miljoen inwoners is natuurlijk lang niet slecht. Dat weten ze bij ACEA (European Automobile Manufacturers’ Association) verdomd goed. Acht jaar geleden ging deze club met de grove borstel door de steeds langer wordende lijst van Autosalons wereldwijd. Prestigieuze evenementen als Parijs en Londen sneuvelden genadeloos, maar Brussel bleef wonderwel gespaard. Als belangrijkste reden gaf ACEA de goede verkoopcijfers aan. Je vel kunnen redden dankzij uitstekend verkoopcijfers is mooi, maar er zit ook een keerzijde aan. In Brussel staat veel (alles) in het teken van verkopen en weinig (niks) in het teken van beleving. Ergens midden december wordt de grote autoreclamemachine aangezwengeld. Die blijft op volle toeren draaien tot enkele weken na het Autosalon. En alle autoconstructeurs hebben maar één boodschap: koop nu, koop bij mij, koop! Op het Autosalon of bij de garagehouder van uw keuze, maakt ons allemaal niks uit, maar koop! Wie net als ik een wat kille relatie met de automobiel heeft, vindt het al snel ‘des Guten zuviel’; gelukkig zijn radio’s en televisietoestellen met een uitknop toegerust… Ik zou graag een socioloog vinden die een portret kan tekenen van die 561.555 Autosalonbezoekers: wie zijn ze? Wat drijft hen? Hoe percipiëren ze de merken die op het salon vertegenwoordigd zijn? Hoe maken ze een shortlist? Hoe informeren ze zich? Wat onthouden ze uit de verkooppraatjes? Wat weegt door in de aankoopbeslissing? Hoe vrolijk worden ze van hun aankoop? Nog niet zo heel lang geleden was de belangrijkste attractie op het Autosalon een tollende wagen van de federale politie. Die was daar neergepoot in het kader van een campagne voor het dragen van de veiligheidsgordel. Je kon als bezoeker een paar ‘rondjes’ tollen in de auto, om de centrifugale krachten van een wagen tijdens een tuimelpartij aan den lijve te ondervinden. Anno 2012 is er - gelukkig - wat meer te beleven op het Autosalon, - ook voor wie niet lyrisch wordt van blinkend plaatstaal en grootogige pitspoezen. De elektrische piste was goed voor 5.000 testritten per dag, er waren allerhande dingetjes die je met je e-card kon doen, er waren VIP’s en Misses en royals en ministers en regeringsleiders. Er was zelfs een expo over mythische voertuigen. (Waarschijnlijk was er nog veel meer ; ik heb niet alles gezien.) Maar… de dikke saus die over alle attracties en bezienswaardigheden heen gaat, heet ‘Koop, nu! Koop mij! Koop!’ Voor u mij van duistere sympathieën beschuldigt: ik heb niks tegen kopen, ik heb niks tegen verkopers die hun koopwaar aanprijzen, ik word zelfs niet (meer) misselijk van de beelden van elkaar bevechtende koopjesjagers die je aan het begin van elke soldenperiode ziet. Maar zonder koopintentie voel ik mij op het Autosalon niet op mijn gemak. Er bekruipt mij een wee gevoel, - alsof ik ongewassen een parfumeriezaak betreed. Dat gevoel heb ik niet wanneer ik op het Vakantiesalon of op Batibouw rondloop. Het hadden er zeshonderd duizend moeten zijn, maar we zijn gestrand op vijfhonderd en zoveel. Niks aan de hand hoor! ’t Is knap dat je zo’n legioen (bijna-)kopers op de been kan brengen. Zeker op een moment dat niemand weet wat de fiscus voor de individuele automobilist in petto heeft. Mensen komen naar de beurs om een stukje zekerheid te krijgen, - het is mooi dat we dat eens door de feiten bevestigd zien. Tegelijk wil ik de autoconstructeurs-exposanten - een zeer hardleerse soort! - attenderen op die -7%. Ik geloof, in alle ernst, dat het straks +27% kan worden. Of dat het in elk geval mogelijk is om, in enkele edities, de kaap van de 700.000 bezoekers te nemen. Voorwaarde is dan wel dat het dominante discours opengetrokken wordt van het verkrampte “Koop nu! Koop mij! Koop!” naar een veel breder verhaal over persoonlijke mobiliteit. De belevingswaarde van het Autosalon moet fors omhoog, - ook voor wie niet opgewonden wordt van aluminium velgen, bumpers in koetswerkkleur of common rail dieselinjectie. Met het risico dat het mij straks een kogel in de knieschijven oplevert: gezien het potentieel, gezien de media-aandacht, gezien de rol die individuele mobiliteit in onze samenleving speelt en gezien nog veel meer, maken autoconstructeurs er zich om het Autosalon relatief goedkoop van af. Een vloer, wat lichtbruggen, een fraaie wand, een vrachtwagen of twee auto’s en een blik koetswerkkatjes, - meer is het doorgaans niet. En daarom laat het salon een grote groep mensen koud die wellicht wél zouden komen als er wat meer te beleven viel. Misschien toch eens over nadenken, de komende 23 maanden… (foto: Febiac - Triptyque)
Grappige mannen die golf spelen

Eerlijk zijn: meer dan acht keer op tien is een groepsstand synoniem voor haastwerk waar je noch als co-exposant noch als bezoeker noch als beursorganisator vrolijk van wordt. Je perst een handvol firma’s samen op een kluitje, geeft elk een haakje om een poster op te hangen, je doet er een dakje boven en een klatergouden randje om heen en klaar!

Als ik al eens een groepsstand zie die wél ergens op slaat, kan ik daar helemaal warm van worden. Mijn periodieke knorrigheid ruimt plaats voor vrolijkheid en optimisme, diep in mij borrelen gevoelens van empathie en was er niet die onhandige schoudertas, dan zou ik waarschijnlijk de hele wereld omarmen, - zo happy word ik van een geslaagde groepsstand! Gelukkig hou ik op kritieke momenten mezelf wat in de hand.

Gemeenschappelijke bar

Gisteren kreeg in Kortrijk Xpo de editie 2011 van de Bedrijvencontactdagen haar beslag. Een recordeditie: niet minder dan 595 waren present en er werden dertienduizend bezoekers verwacht. Markant fenomeen: steeds meer exposanten groeperen zich spontaan om samen een grotere stand (met meer impact?) te betrekken. De Bedrijvencontactdagen staan bekend als een evenement waar veel genetwerkt wordt. Bij een natje en een droogje. Vooral bij veel natjes, eigenlijk. En daar heb je plaats voor nodig. Ik heb een dozijn ‘gemeenschappelijke bars’ geteld. Van bedrijven die op een zelfde industrieterrein gevestigd zijn, van bedrijven die met elkaar zaken doen, van bedrijven die elkaar gewoon al een tijdje kennen…

De ene keer was zo’n gemeenschappelijke bar geconcipieerd als een soort afzuipplek: stapels bierbakken, mdf-plaatje erbovenop en hijsen maar. Er hingen, als ik me goed herinner, ook enkele vlaggen van een bekend biermerk tegen de wand geniet, perfect om de sfeer van een voetbalkantine in derde provinciale op te roepen. Iets in mij zei ‘Snel doorlopen!’ toen ik er langs gestruind kwam. (Sindsdien geef ik overigens ook plankgas wanneer ik op de autosnelweg langs die industriezone passeer.)

Funny men playing golf

Er waren op de Bedrijvencontactdagen gelukkig ook wat goede voorbeelden van collectieve gastvrijheid te zien. Een paar keer ben ik zelfs op mijn stappen teruggekeerd omdat ik zowaar een fris idee meende te ontwaren: een uitnodigend, Zuid-Frans pleintje met een olijfboom en een zandstrook om jeu de boules te spelen. Het rook er zelfs een beetje naar pastis...

BCD001.jpg


Eén collectieve stand stak met kop en schouders - en eigenlijk nog veel meer - boven al de rest uit: die van de Bogey Boys, een club van 21 vrienden, elk met een eigen zaak en met twee gemeenschappelijke passies: golfen en aan de toog de stand van de wereld bespreken. Op de Bedrijvencontactdagen pakten de Bogey Boys uit met een stand die verraste door zijn speelsheid en behaagde door zijn klasse: aan de buitenkant zag je op de kopse zijde de Bogey Boys in hun gekke golf-outfit een partijtje dollen met elkaar; op de lange zijden stelde elke partner zichzelf voor middels een display met het bedrijfslogo; langs de binnenwand waren de Bogey Boys virtueel aanwezig, elk aan hun ‘eigen’ tafeltje, uitnodigend in de lens kijkend. En in het midden van de stand uiteraard een royaal bemeten bar. BCD002.jpg


Bedrijvencontactdagen gaan over bedrijven die contacten leggen met weer andere bedrijven. Tussen pot en pint. Met mensen die mensen kennen. Het was goed te zien dat de Bogey Boys die kerngedachte hebben doorgetrokken. Op een zuivere manier, met humor én met klasse. Ik kon tevreden naar huis.

Aidex helpt zichzelf wel...
Het was een première die ei zo na onder de radar door gegaan was: de eerste editie van Aidex, de vakbeurs annex conferentie voor de sector ontwikkelingssamenwerking en noodhulp, die op 24 en 25 oktober in Brussels Expo plaats vond.

GLP_4539.jpg















Met exposanten uit alle hoeken van de wereld, gastsprekers die regelmatig de voorpagina van internationale media halen en fun stuff als de verkiezing van de  Humanitaire Held van het jaar of het meest innovatieve noodhulpsnufje. Je moet de jongens en meisjes van Centaur Exhibitions alvast niet leren hoe ze een vakevenement in de markt moeten zetten. Wie iet of wat in de rampenbestrijding zit, kon op Aidex 2011 ogen en oren de kost geven en ging ongetwijfeld met een voldaan gevoel naar huis. Het kan van hun clientes niet altijd gezegd worden…

Nood- en ontwikkelingshulp is een miljardenbusiness. Net als elk ander bedrijf hebben nood- en ontwikkelingshelpers een businessmodel, een planning voor investeringen, een aankoopbeleid voor gebruiksgoederen, een marketingplan, een communicatieplan… Wanneer het Internationale Rode Kruis twintig containers tenten en dekens naar een door een aardbeving getroffen gebied zendt, dan worden die niet eerst door kranige Zwitserse besjes aan elkaar genaaid. Die spullen worden gewoon aangekocht - tegen harde cash dus - bij wie de beste voorwaarden kan bieden. Idem dito voor de satelliettelefoon waarmee de lokale medewerker het thuisfront op de hoogte houdt en de terreinwagen waarmee fotojournalisten ter plaatse gebracht worden.

Tot voor kort betrokken humanitaire organisaties hun spullen grotendeels op militaire vakbeurzen. Om het zacht uit te drukken: dat wrong een beetje. Het is geen pretje om als wederopbouwer boodschappen te moeten doen in dezelfde toko waar ook de man of vrouw die alles aan flarden schiet zijn of haar inkopen doet. En het cijfert ook helemaal anders: een deugdelijke deken kost pakweg een euro per stuk. De taktische Tomohawk die je nodig hebt om een paar duizend gezinnen dakloos te maken, kost een miljoen euro (als je er minstens een dozijn koopt, mét beursvoorwaarden).  In België is het budget voor defensie vier keer groter dan het budget voor ontwikkelingssamenwerking. Ik wil daar niks mee gezegd hebben, - behalve dat militaire spullen vele keren duurder (moeten) zijn dan de spullen die u en ik in de supermarkt of de doe-het-zelfzaak kopen. Ook als het over emmers gaat om water uit een put te scheppen.

Ziet u het al voor u, zo’n aankoper van pakweg Artsen Zonder Grenzen die over een beurs als Milipol of GPEEC loopt. “Dag mijnheer, wat kosten die kogelvrije vesten daarzo?” “Vijftienhonderd dertig, m’neer!” “Per dozijn?” “Neen, m’neer, per stuk, maar we doen ze wel in een camouflagekleurtje naar keuze.”

De humanitaire sector reageerde enthousiast op het nieuwe initiatief Aidex en kwam in groten getale naar Brussel afgezakt. Niet alleen om bestellingen te plaatsen voor alle spullen die je nodig hebt om diverse vormen van brute pech te lijf te gaan. Niet alleen om tijdens de lezingen en workshops te leren van anderen. En niet alleen wat voor geniale vondsten meedingen naar de award voor meest innovatieve product. Maar vooral ook om eens ‘onder elkaar’ te zijn, zonder in de schaduw te staan van het generaalsgild.

Ik heb ooit beweerd dat de levensvatbaarheid van een (niche-)vakbeurs onder meer bepaald wordt door de mate waarin die niche aan positieve zelfidentificatie doet, door de mate waarin de jongens en meisjes die tot die niche behoren, kunnen en willen zeggen “Wij, van de (humanitaire hulp)…” Wat dat betreft is Aidex met glans geslaagd. Als de natuur een beetje mee/tegen wil, gaat de vakbeurs ongetwijfeld een roze toekomst tegemoet.

(foto: Centaur Exhibitions/Aidex)
De koning is dood. Leve de prins!
Afgelopen donderdag werd EMIF - voluit the European Meeting Industry Fair ten grave gedragen. Niemand weet hoe lang het beestje al ziek was, niemand weet wanneer het zijn laatste reutel heeft geblazen, niemand weet wanneer de rigor mortis ingetreden is. Het enige wat we wel weten, is dat de nieuwe eigenaar van Promo Factory - ooit een bescheiden bijhuisje van EMIF - niet meer naar de grand ole lady EMIF omgekeken heeft.

2007emif_stockholm.jpg






Weet u nog hoe het allemaal begon? Ik doe een poging en keer terug naar de jaren negentig van de vorige eeuw. De vakbeurs SIPAB - Het Salon van de Ideeën die doen verkopen ; gekke namen hadden ze toen - lijdt aan bloedarmoede. De verhuis van het Rogiercentrum in hartje Brussel naar Brussels Expo had de manifestatie weliswaar meer fysieke levensruimte, maar het economische draagvlak volgde niet. De format van SIPAB dateerde uit een tijd dat a) politici in de aanloop naar de verkiezingen nog balpennen en petjes mochten uitdelen en b) bedrijven nog een ‘reclamechef’ hadden die links en rechts wat spulletjes en wat diensten inkocht. Voor velen was een bezoek aan SIPAB een soort roomtaartje : leuk om tegenaan het einde van een werkdag even het Rogiercentrum in te duiken, hier en daar een glas te drinken en en passant nog wat petjes en balpennen of een stel displays te bestellen. SIPAB deed inspanningen om te verbreden en te verdiepen tegelijk, maar echt overtuigend waren de resultaten niet.  Getuige daarvan de vakbeurs Events, die in 1995 als directe concurrent voor SIPAB boven de doopvont gehouden werd. Ook die manifestatie zou het niet langer dan twee edities uitzingen, - maar dit geheel terzijde.

Ondertussen was aan de overkant van Brussel ook iets aan het borrelen. Op een bel-étage in Kraainem zette Bernard de Craeyencourt een klein vakbeursje voor de meetingbranche in elkaar. Het heette Meeting en werd ondergebracht in…de Pyramides aan het Rogierplein. In dezelfde periode vond in de Kelders van Kuregem - evenzeer onder de grond dus - de vakbeurs Weltra voor zakelijk en incentive reizen plaats. Meeting en Weltra werden verliefd op elkaar, ze trouwden en ze kregen vele nakomelingetjes, die nu eens de typische trekjes van papa hadden, dan weer die van mama. Edoch, geen enkel heeft de volle wasdom bereikt. Alle pogingen om (sub)niches - below the line, above the line, through the line én no line at all - mee aan boord te krijgen, verzandden nog voor het publiek de tijd had gekregen om er een vaste afspraak van te maken. Veranderen van naam hielp niet. Veranderen van locatie hielp niet. Veranderen van projectmanager hielp niet.

Terug naar EMIF, - in 2002 een nieuwe naam voor een kindje dat al langer doodziek was en ondertussen aan de goeie zorgen van Conevex was toevertrouwd. We zouden bijna vergeten dat rond de millenniumwissel een bitse strijd was uitgebroken in de vijver waarin EMIF zat te vissen. Ray Bloom, stichter en bezieler van de wereldvakbeurs voor incentive travel EIBTM, trok als een rattenvanger van Hamelen weg uit Genève met in zijn zog een trits ontevreden exposanten. Hij stampte in Frankfurt de kloon IMEX uit de grond en ontketende daarmee een titanenstrijd tussen Reed en hemzelf. En daar zat EMIF tussenin, - het hoofd tussen de knieën en met een bang hartje.

EMIF is ten Grave gedragen. Conceptum! Group (het uitroepteken hoort erbij) heeft Promo Factory - het luikje over relatiegeschenken, gadgets en premiums - uit het door Artexis aangeboden portfolio gelicht en feestelijk bedankt voor de rest. De bedoeling is dat een en ander een plek krijgt in een nieuwe format die de naam Business & Meeting Solutions meekreeg. Een goeie zaak? Dat valt een beetje af te wachten natuurlijk, - op 21 en 22 maart 2012 kunt u zelf gaan kijken in Brussels Expo. Ik hoop alvast dat we ons na een bezoek aan Business & Meeting Solutions niet opnieuw de vraag moeten stellen “Waar gààt dit in godsnaam over?”
 

Stoute stopping power
Expoid_blog_pickpocket_klein.jpg

“Goeiemiddag, mag ik me voorstellen? Daniel, professionele gauwdief. Aagenaam!”

Ik loop op de vakbeurs Retail en wordt voor de stand van een handvol beveiligingsfirma’s aangesproken door een grij(n)zende vijftiger met blauwe pretoogjes. “Ik wil u graag een paar dingetjes vertellen over winkeldiefstal. Zullen we dat op de stand doen en van de gelegenheid gebruik maken om een kop koffie te drinken?”

Ik laat me meetronen naar een van de vrije tafels op de stand. Daniel vertelt gepassioneerd en met een flinke scheut humor over het fenomeen winkeldiefstal en wat je er als winkelier zo allemaal kan aan doen.

Een poos later komt van achter de bar een ober aanzetten met een dienblad. Daarop twee kopjes koffie, een schoteltje met koekjes en…hé, mijn gsm! En mijn portefeuille!

De grijze man met de pretoogjes glimlachte breed: “Ik had het je toch gezégd. Daniel, professionele gauwdief!”

Qua stopkracht hadden de beveiligingsfirma’s met meester-gauwdief Daniel inderdaad een sterk nummer in huis. Een beetje jammer dat hij na zijn ‘act’ door niemand bijgestaan werd om het gesprek een meer zakelijke richting uit te sturen…

Een feest van overbodigheid...

BLOG_Ondernemen.jpgHet is een beurs die Ondernemen In Vlaanderen heet. En ze wordt gesteund door Vlaanderen In Actie (VIA) en het Agentschap Ondernemen en Start Your Business, die ook nog eens een wegsputterend mannetje in hun logo hebben. Geen wonder dat mijn verwachtingen hooggespannen waren en dat ik op weg in de wagen al een bruisend evenement zat te verbeiden. Het is – ik wik mijn woorden – enigszins anders uitgedraaid. Iets minder gewikt: Ondernemen In Vlaanderen staat hoog genoteerd in de rangschikking van saaie bedoeningen, - alle inspanningen van de organisator en een handjevol exposanten ten spijt.

Er is iets goed fout met de mal waarin evenementen als Ondernemen In Vlaanderen en andere bedrijvencontactdagen gemaakt worden. Ik heb het dan niet over de individuele manifestaties, die een enkele keer waardevol kunnen zijn, wel over de formule, de format. Een sluitende verklaring heb ik (nog) niet, maar ik wil wel een aantal elementen op tafel gooien die de boel verzuren:

Preken voor eigen kerk: De helft van de randprogramma’s deugt niet. Ze dienen als vogellijm voor potentiële exposanten, die hun half an hour of fame beleven wanneer ze voor zeven man en een paardenkop een verkooppraatje mogen houden. In een slecht geïsoleerde zaal. Ondersteund door een rommelige powerpoint presentatie. En met een krakkemikkige geluidsversterking.

Qua logistiek zijn bedrijvencontactdagen erg gebruiksvriendelijk: drie affiches ophangen, een stapel folders op een tafeltje leggen, een pakje visitekaartjes in de jaszak… Meer is er niet aan. Exposanten bevestigen hun deelname rijkelijk laat, met als gevolg dat er geen tijd meer is voor een actieve bezoekerswerving. Bijna niemand nodigt prospects uit en daardoor blijven de gangen leeg.

Piraterij: Omdat er in de gangen toch niemand te bespeuren is, gaan exposanten gezellig bij elkaar op de koffie. De arme bezoeker die de moed bij elkaar geraapt heeft om een kijkje te gaan nemen op bedrijvencontactdagen, passeert de ene lege stand na de andere. En als een stand dan toch bemand is, is dat vaak door iemand die heel erg druk is met een laptop. Je moet van erg goeden huize zijn om te zeggen ‘Doe dat ding dicht en kom met me praten!’

Van moetens:Doe de test en vraag exposanten op een bedrijvencontactdag ‘Zou u hier liever niet staan?’ Vijf keer op de tien luidt het antwoord aarzelend ‘ja’. ‘Maar de Kamer van Koophandel is hier de grote sponsor en da’s een belangrijke klant…’ De helft van de exposanten staat er tegen zijn zin en hoopt dat het zo snel mogelijk afgelopen is. Daar word je als bezoeker echt niet vrolijk van. Boodschap aan de exposanten: weersta aan de druk en blijf thuis.

(Goeie) vakbeurzen emaneren de markt die ze bedienen door aanbieders-exposanten en afnemers-bezoekers samen te brengen. Bedrijvencontactdagen emaneren een regio door iedereen samen te brengen die ‘iets’ doet. Daarom wordt een spuitgieterij er links geflankeerd door een ambachtelijke jeneverstokerij en rechts door een bedrijf dat boekhoudsoftware verkoopt. (Het kan trouwens een hele poos duren voor je daar achter komt, want de communicatie op de meeste stands deugt ook al niet.) Het geheel is een ratjetoe waar logica noch systeem achter zit. Het maakt, naar mijn gevoel, bedrijvencontactdagen grotendeels overbodig.

Dromen van parket
Het was eens iets anders dan de vraag ‘Kent u onze producten?’ Op de vakbeurs Europarket, die van 25 tot en met 27 april in Kortrijk Xpo plaats vond, wilden de jongens van de DroomBox graag weten wat mijn grootste droom voor de parketbranche was. En wat het beste aan de parketbranche was? En van welke àndere branche de parketbranche nog iets kon leren? En welk product ik in de parketbranche mis? En wat mijn mooiste herinnering (aan de parketbranche) is? De piepkleine stand van DroomBox was een sterk staaltje van Appreciative Inquiry (AI) of waarderend onderzoek, een methodologie die door de Amerikaanse organisatiepsycholoog en veranderingsdeskundige David L. Cooperrider ontwikkeld werd. “We vroegen ons af wat je met de Appreciative Inquiry methode branchewijd zou kunnen doen en toen kwamen we met dit idee van een droombox”, zegt laatstejaarsstudent marketing Karim Jumelet uit Bergen-op-Zoom. “De idee is dat bezoekers op de beurs in een kort interview vertellen wat ze positief vinden in deze branche. Die verhalen nemen we op met een videocamera en monteren we tot een live statement. We nodigen de bezoekers ook uit om hun antwoorden op de vijf vragen te noteren op een wand. Gaandeweg ontstaat zo een rijkgeschakeerde pallet van meningen, suggesties, impressies en verzuchtingen…”

BLOG_Dreambox.jpgVoor de bezoekers van Europarket was de DroomBox alvast een gelegenheid om zich eens helemaal te laten gaan. De knappe montage met fragmenten van de vorige beursdagen zette hen aan tot de gekste ontboezemingen. Leuk! En voor herhaling vatbaar.
Beursstand of beursbunker?

“We geloven niet echt dat je namaak tegenhoudt door de stand af te sluiten” zegt Elke Calewaert van Lego in een paginagroot artikel in De Tijd over de Spielwarenmesse in Nürnberg. “Het blokje is niet langer gepatenteerd. Iedereen mag het dus maken. Maar je moet het ook nog eens kunnen verkopen.” Een collega van een ander speelgoedbedrijf is categorieker: “Geen visitekaartje is geen folder!”

Dat is rechttoe rechtaan taal waar ik van hou. Het soort taal dat een zeldzaamheid geworden is in grote, internationale ondernemingen. Veel vaker hoor je omfloerste en omzwachtelde taal, - ook wanneer het over het – echte of vermeende – probleem van ideeëndiefstal op beursstanden gaat. Ietwat vereenvoudigd komt dat probleem hier op neer: vandaag presenteer je op de beursstand apetrots je nieuwste vondst, morgen is een (flauwe ) kopie van die vondst op elke straathoek te koop. Heel wat landen, China voorop, hebben een slechte reputatie wanneer het op de bescherming van intellectuele eigendom aan komt. En een van de plekken waar ze naar hartenlust kunnen stelen, zijn vakbeurzen, beweren sommigen.

Wordt er op vakbeurzen met een meer dan gemiddelde belangstelling gekeken naar wat concurrenten doen? Ja! Lopen er tussen die vele duizenden bezoekers ook mensen rond met minder nobele bedoelingen? Ja, het tegenovergestelde zou mij verwonderen. Wordt er op beursstands stiekem gefotografeerd? Jazeker, net zoals op de innovatiestands en de trendcorners en alle andere plekken waar nieuwe producten te zien zijn. Is de stand helemaal dichttimmeren een goeie manier om het illegaal kopiëren in te dijken? Daar heb ik de grootste twijfels over. Al was het maar omdat een beetje fraudeur altijd wel een gaatje in de defensie vindt.

Op de beursstand draait alles om doelgerichte gastvrijheid. Het is geen zondags koffiekransje met een verre nicht, maar wel een aangenaam gesprek met iemand die op een of andere manier betekenisvol kan zijn voor de eigen activiteiten. De bezoeker kan uiteenlopende hoedanigheden hebben, het doel van de interactie is altijd om ‘iets bij te brengen’. En als het een beetje kan een zakelijke relatie met perspectief uit te bouwen.

Mensen komen op vakbeurzen af om de meest uiteenlopende redenen. In enquêtes komen steevast dezelfde trefwoorden terug: informatie, noviteiten, zien wat er gaande is, sociaal contact, erbij horen… Voor heel wat van die drijfveren is een hermetisch afgesloten stand – letterlijk – een sta-in-de-weg. Niks laat een bezoeker meer op zijn honger dan een beursgang die er uit ziet als een lange Berlijnse muur, met hier en daar een deur in. In plaats van een gevoel van saamhorigheid krijg je het gevoel buitengesloten te zijn. Wat je hoort, is niet de pittige hartslag van je industrie, maar het schrale piepen van poorten en hekkens. Je hoopt stilletjes op gastvrijheid en een warm onthaal, maar wat je krijgt is legitimatieplicht: wie ben je? Wat kom je op onze mooie stand doen? Waarom loop je niet door?

blog_muur.jpg

Vrijwel elke exposant hoopt aan zijn beursdeelname ook nieuwe klanten of toch minstens nieuwe contacten over te houden. Dat lukt dus niet wanneer je in de plaats van een open, gastvrije stand een soort hardboard bunker neerpoot. En wat erger is: die gesloten standen houden kwaadwillige fotografen geenszins op afstand. Ze hebben honderden truken en taktieken om hun doel te bereiken. Ik zie ze liever niet op een beurs, die oninneembare vestingen. En ik hoop dat veel organisatoren dezelfde mening zijn toegedaan.

Show buzz

Amerikanen hebben soms verrassend mooie termen, - onder meer wanneer ze het over beurzen hebben. Zo hoor je ze wel eens spreken over “pizzazz” die in mindere of meerdere mate aanwezig op de stand. Er is niet zo meteen een goed Nederlands woord voor. Het kan vitaliteit of glamour of flamboyantheid betekenen, maar elk van die begrippen mist een deel van de rijke en gevarieerde betekenis die het woord ‘pizzazz’ heeft. Je kan het nog het beste als ‘bruisende pit’ omschrijven: een stand moet bruisen en vol pit, vol leven zitten. (Dus geen kranten en geen boekjes en geen draagbare pc’s. Sorry dat ik er nog even over zeur…)

Nog zo’n term die je regelmatig hoort opduiken: show buzz. Letterlijk vertaald betekent dat het beursgezoem of wat er op de beurs gonst. Aan geruchten? Ja, ook, maar het gaat over veel meer dan dat. Waar veel mensen samen zijn, wordt er niet alleen veel gepraat (over anderen), maar vooral ook veel van gedachten gewisseld over hoe je zelf tegen de dingen aankijkt. Veel meer dan goedbedoeld geroddel, is show buzz alles wat er tijdens de beurs gebeurt en dat je moeilijk met de vinger kan wijzen: onverwachte ontmoetingen, momenten van inspiratie, het warme gevoel ergens bij te horen, verrijkende en ver reikende uitwisseling van ideeën… Show buzz gaat niet over een podium met danseressen in pauwenveren getooid, ook niet over BV’s met reclame op de hemdskraag die even ‘acte de présence’ komen geven, maar wel over de wijze waarop je de ongelooflijke rijkdom van een beurs tot jou probeert te nemen.

Heimtextil001_blog.jpg

Show buzz is immaterieel en dus moeilijk te fotograferen. Hoewel… Op de jongste editie van de vakbeurs voor woningtextiel Heimtextil in Frankfurt vond ik dit tafereeltje dat precies illustreert waar show buzz (ook) over gaat: met vakgenoten kampvuurgewijs over een stapel stalenboeken gebogen zitten en discussiëren over de trends die straks furore zullen maken.

Leve de vijand!
Kluwer, een groep verstandige mensen, heeft een tip voor wie niet houdt van de drukte op de boekenbeurs: blijf thuis! Ga niet naar het grootste boekenevenement van Vlaanderen – waar Kluwer overigens uitblinkt door afwezigheid – maar kom gezellig bij ons in de webwinkel rondsnuisteren. Daar organiseert Kluwer namelijk zelf een virtuele boekenbeurs; ze duurt een maand lang en de spullen worden er aan de man gebracht met leuke kortingen van 20%. Wat verdient Kluwer voor deze actie, bloemen en een schouderklopje of pek en veren? Ik geraak er niet helemaal uit.

Als beursorganisator word je natuurlijk niet vrolijk wanneer een potentiële exposant vegeteert op de inspanningen die je zelf levert en ook nog eens gaat rondbazuinen dat je beter thuis blijft. Ik zou er kregelig van worden en u misschien ook. Is het soms onaangenaam druk op de Boekenbeurs? Ja! Maar dat is het in Ikea ook. Op zaterdag en zondag bijvoorbeeld. Je moet goed gek zijn om op zaterdag of zondag naar de Boekenbeurs te gaan. Maar op dinsdagvoormiddag is het er heerlijk struinen. Als exposant kan je beter daar op een inventieve manier rond communiceren. ‘Bezoek ons tijdens de daluren en we bieden u een kopje koffie en een croissant aan.’ Da’s een heel andere boodschap dan ‘Blijf thuis!’

Het kan overigens nog gortiger dan Kluwer. De Open Bedrijvendag maakt er zowaar een boksmatch van: “Open Bedrijvendag versus Beurs: 6-0 forfaitscore!” Ik verzin dit niet; het staat in deze bewoordingen op hun site, inclusief het uitroepteken. Even verderop staat een getuigenis van een bedrijfsleider die beide geprobeerd heeft: voor veel geld en met weinig resultaat aan een beurs deelgenomen én voor een appel en een ei en met veel resultaten aan de Open Bedrijvendag deelgenomen. Arme stakker… Hij mag de heer op beide knietjes danken dat er zoiets als de Open Bedrijvendag bestaat.

Openbedrijvendag_screenshot.jpgIk had – en heb nog steeds – een grote sympathie voor de Open Bedrijvendag. Ik heb er ooit zelf aan deelgenomen en dat was een prettige ervaring ; nooit gedacht dat wildvreemden zo geboeid zouden staan kijken naar hoe ik aan het tokkelen ben op een klavier. Maar dat neemt niet weg dat ik de huidige campagne er wat over vind. Zoveel energie steken in het verketteren van beursdeelnames getuigt noch van goed nabuurschap noch van goede smaak. De Open Bedrijvendag positioneert zich als een achterbaks straatvechtertje en de vraag is op welke manier je op zijn provocaties kan reageren? Straal negeren? Afzakken tot hetzelfde lage niveau? Bij de eerste beste gelegenheid zelf een gemene muilpeer uitdelen? Pffff…..

De B&T-sector heeft er zich lang over beklaagd niet voor vol te worden aanzien door andere media. Met name de reclamesector liet zich vol dédain uit over de standentoestanden. Maar zie hoe de dingen veranderd zijn! Beurzen zijn voortaan een volwaardige tegenstander voor het grootste eendagsevenement in Vlaanderen! Driewerf hoera. En op naar de volgende oorlogsverklaring…
Beurskaartje
Wat deden we vroeger wanneer we in het buitenland waren? Juist, een kaartje schrijven! En als het aan de internationale vakbeurs MoOD ligt, doen we dat straks opnieuw. Organisator Textirama plaatste tijdens de jongste editie van de beurs op 6 strategische plaatsen gratis ansichtkaarten met een verwijzing naar de beurs:

Mood_postcards002_blog.jpg“I’m in a winning mood
Touch wood, but I just ran into a winner at MoOD in Brussels. Keep the secret ‘till I get back.”
“I’m in a globetrotting mood
Let’s start getting used to jetlag… I’ll tell you more when I’m back from MoOD in Brussels.”


Bij de modules met ansichtkaarten werd een felrode postbus opgesteld. Postzegels hoefden de bezoekers van MoOD niet te kleven. Organisator Textirama nam de verzending van de zowat 2.000 briefkaarten op zich.
Even op en af naar ExpoPolis
Expopolis.jpg“Daar gaan we weer”, dacht ik toen ik het persbericht over ExpoPolis onder ogen kreeg. “Nog maar eens een website die het helemaal wil maken met virtuele beurzen.”  Ik moest een zucht onderdrukken. Pakweg tien jaar geleden kreeg ik op een congres in Praag een cd-tje in de handen geduwd met een plug-in programma dat mij zou toelaten virtuele beurzen te bezoeken. Het is nooit wat geworden, - behalve veel gedoe met vastlopende computers.

In 10 jaar is er veel veranderd. Dat moest ik vaststellen toen ik op Youtube de demo van ExpoPolis zag: een futuristisch ‘gebouw’ met veel minder futuristische standen en helemaal niet futuristische presentatieconcepten: virtuele folderrekken, virtuele LCD-schermen, virtuele friezen en virtuele zuilen die als eyecatcher dienst moeten doen. Voor wie wel eens op een beurs komt, ziet het er allemaal heel herkenbaar uit in ExpoPolis. Het enige wat ik er mis, zijn betalende vestiaires en sanitaire voorzieningen…
 
Er was een tijd dat beursorganisatoren als de dood waren voor het internet en zijn eindeloze mogelijkheden om zo goed als gratis informatie uit te wisselen en met elkaar te communiceren. Ze zagen het wereldwijde web als een serieuze bedreiging voor hun eigen business. Ondertussen zijn die organisatoren – soms tegen heug en meug – bijgedraaid; ze rijden hun eigen rondjes mee op de informatiesnelweg en weten ondertussen dat het internet veeleer bijdraagt aan hun evenementen dan dat het ze zou schaden.

De vraag is een kritische reflectie waard: moeten beursorganisatoren (en de hele B&T-industrie) nu ook virtuele beurzen omhelzen? Ik ben geneigd tot enige terughoudendheid. Voor mijn neefje van 11 achter zijn Wii-console maakt het niet zo veel uit of de schietende konijntjes ja dan nee virtueel zijn. Maar hoe zit het met zijn oom van 41? Moet hij met het schaamrood op de wangen toegeven dat hij ‘niet meer mee’ is? Schuilt in hem een crypto-Luddiet?

Een paar jaar geleden werd een promotiecampagne van de Britse vakfederatie Association of Exhibition Organizers wijd en zijd op applaus onthaald. Thema van de campagne en reden voor het applaus: “Ik heb het gezien, gehoord, gevoeld, geproefd, geprobeerd…op een beurs.”  Op een aantal affiches komen tientallen werkwoorden voor die betrekking hebben op de interactie op de beursstand. Als je ze in één enkel sleutelbegrip moet samenvatten, kom je wellicht bij het werkwoord ‘beleven’ uit. Mensen gaan naar beurzen om dingen te beleven. We gebruiken ondertussen allemaal de hippe term ‘experience marketing’, toch? En laat net dàt iets zijn waarin virtuele beurzen schromelijk tekort schieten. Ja, er is een (virtuele) locatie en ja, er zijn (virtuele) exposanten, maar het blijft bij pdf’jes en e-mails en filmpjes uitwisselen. Goed, een platform als ExpoPolis geeft de mogelijkheid om een ‘gastvrouw’ aan te stellen en live chatsessies in te lassen, maar of dat de belevingswaarde van een bezoek aan ExpoPolis naar zeldzame hoogten tilt, valt erg te betwijfelen.
 
Een platform voor virtuele beurzen? Eerst denk ik “Daar gaan we weer!”, daarna “Ach, we zien wel…” en straks misschien “Waarom ook niet?”. Maar ondertussen wil ik die nieuwe vulpen toch eerst even in de hand houden voor ik ze koop.
Alles altijd maar sneller
BLOG_gamescom_foto1.jpgHet was even slikken toen het afsluitende persbericht over Gamescom binnenrolde. De eerste editie van deze combinatie vakbeurs-congres-evenement voor interactief entertainment en games had in 5 dagen meer dan 245.000 bezoekers over de vloer gehad: 17.000 vakbezoekers op de eerste, voor hen voorbehouden dag; en 228.000 eindgebruikers in de vier daarop volgende dagen. Reken daar nog eens 1.500 deelnemers aan de Games Developers Conference bij en 4.000 persvertegenwoordigers en je begrijpt meteen waarom de 458 exposanten zo in hun nopjes waren met deze première. Keulen – en de Duitse Hanzesteden in het algemeen – zijn wel wat gewend wanneer het op beurzen aankomt. Bezoekers worden er per tienduizend geteld en het aantal netto vierkante meters vaak ook. Maar een explosieve start als die van Gamescom had niemand ooit eerder gezien. Meestal neemt een beurs een wat moeizame start en moet je als organisator een paar jaar ploeteren voor het echt lekker loopt. Maar bij Gamescom dus niet ; het evenement schoot meteen door naar de top van de ranglijst. Zelfs in deze economisch wat mindere periode.

BLOG_Gamescom_foto2.jpgIk weet niet hoe hard Koelnmesse zijn best heeft moeten doen om de 120.000 vierkante meter van Gamescom gevuld te krijgen. Wat ik wel weet, is dat ze hard hun best gedaan hebben om van Gamescom een evenement met een hoge belevingswaarde te maken: voor de vakbezoekers waren er Gamescom Awards in diverse categorieën en een congres over de invloed van games op mens en maatschappij. Voor de particuliere bezoekers – gamers, zeg maar – was er een uitgebreid menu van niet te missen activiteiten: in de buitenlucht een Gamescom Camp waar je goedkoop kon kamperen en een Gamescom Beach met strandsporten, catering en animatie; (Duitse) sport- en muziekvedetten maakten op de beurs hun opwachting en lieten zich gewillig met bezoekers fotograferen; in de Keulse binnenstad stonden tientallen optredens, evenementen en stunts in de Tanzbrunnen helemaal in het teken van Gamescom.

BLOG_Gamescom_foto3.jpgKoelnmesse verkondigde na afloop van Gamescom dat ze in één klap de grootste (vak)beurs voor (interactief) entertainment ter wereld hadden gecreëerd. Dat is tussen een beetje en tamelijk waar; het hangt ervan af welke haakjes je weglaat en welke niet. De Spielwarenmesse in Nürnberg heeft vijf keer meer exposanten, maar is een strikte vakbeurs en trekt ‘slechts’ 75.000 bezoekers. Wat wél helemaal waar is, is dat Koelnmesse er met Gamescom in geslaagd is een evenement te creëren met een uitzonderlijk hoge belevingswaarde voor de bezoekers. En dat die factor de dynamiek geeft om de as ‘vakbeurs’ vanaf nul in de markt te zetten en meteen tot een referentie voor een niche te maken. Vroeger gingen daar vele decennia over. Nu gaat alles altijd maar sneller. Net als in die spelletjes…
Waarom organisatoren van banken houden
“Business as usual.” Dat was het verrassende antwoord dat ik gisteren van het diensthoofd sponsoring van een Belgische bank kreeg op mijn vraag hoe zijn afdeling de financiële crisis was doorgekomen. Ik was er van uit gegaan dat een bank in moeilijkheden zonder medelijden zou snoeien in zijn budget voor evenementen en sponsoring. Fout gedacht. De bank in kwestie – KBC, om de naam niet te noemen – bleef prominent aanwezig op sportwedstrijden en culturele evenementen. Het is een vraag: moet je je vragen stellen bij een bank die enerzijds staatswaarborgen bij elkaar moet harken en anderzijds (veel) geld uitgeeft aan sponsoring? En zo ja, welke vragen moet je dan stellen?

BLOG_bakwagen.jpgBedenking één: veel sponsoring overeenkomsten dateren van voor de bankencrisis. De bank hanteert het samen uit-samen thuis principe: we bouwen een langdurige relatie op die bestand moet zijn tegen crisismomenten. Wanneer het een van beide partners iets minder gaat, zijn het de sterkste schouders die de zwaarste lasten dragen. De ene keer is dat de bank, een andere keer de organisator. KBC zoekt een verankering in het concept van het evenement. De entente die op die manier ontstaat, kan tegen een stootje. Ook tegen een bankencrisis…

 Bedenking twee: in veel sponsoringcontracten die KBC afsluit, is geld niet het belangrijkste aspect. Voor de organisator is de slagkracht inzake communicatie minstens even belangrijk. De bank heeft meerdere kanalen waarmee 3.9 miljoen mensen bereikt kunnen worden. En mensen met voldoende ervaring om voor al die kanalen en voor een brede waaier (sub)doelgroepen aangepaste boodschappen te ontwikkelen. Niet onbelangrijk: banken genieten van oudsher een vrij hoge credibiliteit. De financiële crisis heeft hier en daar voor een smet op het blazoen gezorgd, maar van een negatieve perceptie is voorlopig geen sprake.

Ik moet KBC nageven dat ze goed zicht hebben op wat beursorganisatoren willen en hoe ze daar als bank kunnen op inspelen. De bank-verzekeraar was de eerste om uit te pakken met gratis toegang tot bepaalde beurzen voor zijn kaarthouders. Organisator blij met de extra bezoekers, exposant blij met zoveel (nieuw) volk over de vloer, bezoeker blij omdat hij er gratis in komt. Zo simpel dat het vreemd is dat niemand dit eerder bedacht heeft.

Wie veel op beurzen en evenementen komt en er zijn ogen de kost geeft, leert ook wel wat. Op festivalweides en helaas ook in nogal wat beursgebouwen staan geen geldautomaten. Vervelend voor festivalgangers en beursbezoekers, die buiten de perimeter op zoek moeten gaan naar verse flappen. En vervelend ook voor de exposant, die aan het einde van een vermoeiende beursdag met een plastic zak contanten de boer op moet. KBC liet een trailer ombouwen tot Bankwagen en schuimt daar festivals en publieksbeurzen mee af. Alle beurzen? Neen, daarvoor ligt de exploitatiekost te hoog. Er wordt een selectie gemaakt op basis van het aantal bezoekers, hun verscheidenheid, de reputatie van de manifestatie en de maatschappelijke aanvaardbaarheid ervan. Het zijn er ‘maar’ dertien in 2009, terwijl er bijna elke dag nieuwe aanvragen binnenkomen van organisatoren die ook graag de Bankwagen op hun beurs willen. Want bezoekers en exposanten het leven wat makkelijker maken, dat wil elke beursorganisator. Toch?
Het ruikt hier naar...geurmarketing
De eerste redenering was: wat in een winkel kan, moet ook op de stand kunnen. Alle grote merken ‘begeuren’ hun winkelpunten om consumenten lekker te maken. Waarom zou je dat dus ook niet op een stand doen. Ook daar is de (potentiële) koper met al zijn zintuigen tegelijk aanwezig. En die moet je bespelen, - het liefst allemaal tegelijk. Dus ook de neus. Of beter: het reukvermogen. Dat begint met geen look te eten wanneer je de stand moet bemannen. Maar moet het daar ook eindigen?

Geurmarketing_001.jpgDe reukzenuw of nervus olfactorius is één van de twaalf craniale zenuwen die direct met de hersenstam verbonden is. Geurimpulsen leggen de kortste weg af van al onze waarnemingen en onderweg kunnen ze niet gemanipuleerd worden: ze zijn wat ze zijn, ook wanneer ze onbewust worden waargenomen. Om dat even naar marketingtermen te vertalen: geur is de onzichtbare hand die ons – onbewust – drijft in de richting die de geurtovenaar voor ons uittekent. Het is misschien wat kort door de bocht, maar studies hebben uitgewezen dat het wérkt. In tandartskabinetten wordt geur gebruikt om mensen tot rust te brengen, in bejaardentehuizen om mensen wat op te vrolijken, in kantoorgebouwen om het werkritme hoog te houden en in warenhuizen om ons hongergevoel aan te wakkeren.

En op de beursstand? Zou je op de beursstand geur kunnen inzetten om bezoekers in een bepaalde state of mind te brengen? Het antwoord is – uiteindelijk – ja.

De Zwitserse firma Air Creative heeft van ontgeuren en begeuren haar specialiteit gemaakt.  De firma brengt een brede waaier toestellen op de markt voor alle mogelijke omstandigheden én ze gebruikt enkel parfums op basis van etherische oliën. Geen spuitbussen die vaagweg aan meiklokjes doen denken dus, maar langzaam verdampende aroma’s van echte bergamot- en citrusolie. Het leek me wel wat. De Belgische vertegenwoordiger van Elandir Care kwam me uitleggen hoe de apparaten functioneren en waar je zoal moet op letten. Kous af? Niet helemaal… Dat de geurapparaten op een beursstand ingezet moesten worden, bemoeilijkte de zaken enigszins. Ik kan dan wel de geur van versgeplukte appels willen, hoe hou je die geur binnen de grenzen van de stand? De geur van een zomers maaiveld kan perfect in mijn concept passen, maar wat moet mijn buurman-standhouder ermee?

 Bij Air Creative en Elandir besloten ze de zaak nader te onderzoeken. Na enkele weken kwam het verdict: geurmarketing op de stand kàn, op voorwaarde dat alles vooraf grondig bestudeerd wordt: welke zijden van de stand zijn open, hoe stroomt de lucht door de beurshal en door de stand, welke zones moeten intensief begeurd worden… Op basis van die bevindingen worden dan een of meerdere toestellen gekalibreerd in functie van de omstandigheden. ’t Is een beetje reken- en studiewerk, maar in veel omstandigheden is het dat beslist waard.
Pitspoezen
BLOG_coverCarGirls.jpgSommige mensen hebben een leuke job. Neem nou Jacqueline Hassink. Tussen 2002 en 2008 schuimde zij alle grote autosalons af om er foto’s te nemen. Niet van de wagens, maar van de meisjes en dames die de glimmende koetsen mee aan de man helpen brengen. Terwijl de blikken van alle andere fotografen op de nieuwe bolides gevestigd waren, stelde Jacqueline scherp op het Honda-meisje, de Lexus-lady en de GMC-girls. Alle portretten bundelde ze in een luxueus uitgegeven kijkboek dat de toepasselijke titel ‘Car Girls’ kreeg.

Al bladerend door ‘Car Girls’ leer je een paar dingen. Er zijn weinig of geen verschillen tussen de manier waarop een auto in Detroit, in Geneve, in Frankfurt, in Parijs of in Tokyo gepresenteerd wordt: het liefst op een podiumpje, badend in het licht en blinkend dat het een lust is. Een enkele keer wordt de bolide gepresenteerd met op de achtergrond een uitvergrote sfeerfoto, maar in alle andere gevallen wordt alles geweerd dat de aandacht van de wagen zou kunnen afleiden.

Ook opvallend: de bezoekers – af en toe verschijnen ze in Hassinks foto’s op de achtergrond – verschillen niet wezenlijk van elkaar in Shanghai, Frankfurt of New York. Bijna altijd zijn het veertigers en vijftigers van het mannelijke geslacht, met een beginnend buikje en vaak gewapend met een digitale camera waarvan ze alleen de basisfuncties beheersen. Zo te zien is hun belangstelling voor de verwarmde buitenspiegels van een Maserati vele malen groter dan hun belangstelling voor het vrouwelijk schoon dat om de wagens heen cirkelt. Wie een louter functionele relatie heeft met voer- en vroemtuigen staat er ietwat verbaasd naar te kijken...

De meiden dan, - want daar zouden we het over hebben. Het boek van Hassink is geen sociologisch essay; wie dacht dat het boek de laatste geheimen over consumentenvoorkeuren op drie continenten zou ontsluieren, komt bedrogen uit. De meeste foto’s bevestigen wat we al langer wisten: merken als Lexus of Chevrolet symboliseren hun zakelijke chique door dames in zwarte mantelpakjes te steken. Japanse merken zijn geneigd de technologiekaart te trekken en kiezen voor meisjes in futuristische outfits. Duitse merken gaan in het Verre Oosten voor ‘zo blond mogelijk’. De Franse constructeurs kiezen op hun thuismarkt voor een mélange van vrijgevochten Amazones en verleidelijke, breekbare Lolita’s. Waar de beurs plaats vindt is echter vaak van groter belang dan wie er zich voor de lokale markt presenteert. In Shanghai is het allemaal wat kitscheriger dan in Frankfurt. De Chinese poppemiekes hebben als belangrijkste opdracht zichzelf zo sierlijk mogelijk op het gladde koetswerk te installeren en te etaleren. In Detroit krijgen de dames een microfoon in de handen geduwd en worden ze geacht de lof van de auto te zingen. In Genève en Frankfurt wordt die microfoon een draagbare pc waarmee je meteen de bestelling en alle specificaties kan ingeven. Hoe oostelijker hoe esthetischer, hoe westelijker hoe functioneler? Misschien… Het boek is alleszins vermakelijk omdat het iets vertelt over hoe de autoconstructeurs naar zichzelf kijken, over hoe ze naar de plaatselijke markt kijken en over hoe ze die relatie willen vertalen in een type vrouw en haar outfit. De uitkomst is lang niet altijd flaterend, - noch voor het automerk, noch voor de kandidaat-koper, noch voor de dames die de stand moeten bevolken.

BLOG_CartoonDirk.jpgEn toch… Toch horen pitspoezen blijkbaar bij een stand op een autosalon, net als zuidwesters bij de voordeur van een vissershuis. Op één of andere manier hebben de dames zich onmisbaar gemaakt. Dat leid ik toch af uit een vreemd voorval van vorige week. Eerder toevallig waren 5 tips om een beursdeelname rendabeler en een beursstand aantrekkelijker te maken bij een spitsvondige cartoonist terecht. Prompt improviseerde hij onderstaande cartoon bij één van de tips. Straf, niet?


(Cartoon: (c) Dirk De Ridder)
Concurrentie: zegen of vloek?
FISA, organisator van Batibouw, zet voor oktober 2009 de ecologiebeurs Save² in de markt. Kortrijk Xpo zet voor begin 2010 de ecologiebeurs Ecopop in de markt. Wie de beide exposantenbrochures – uiteraard gedrukt op gerecycleerd papier en met ecologisch verantwoorde druktechnieken – naast elkaar legt, moet hard zijn best doen om verschillen te vinden. Save² duurt van 8 tot en met 12 oktober en vindt plaats in Brussels Expo, Ecopop vindt plaats op 6 en 7 februari in Kortrijk Xpo. Dat is half zo lang en – vanuit de hoofdstad bekeken – negentig kilometer verderop. Voor het overige ambiëren beide manifestaties hetzelfde: het thema eco-bio opentrekken naar een breed publiek. En het opgeheven vingertje vervangen door een positieve, optimistische boodschap.

Er zijn twee mogelijke reacties op het feit dat twee concurrerende manifestaties – ze hebben allebei nationale ambities – op ongeveer hetzelfde ogenblik in de steigers gezet worden. Reactie één: zowel FISA als Kortrijk Xpo hebben op hetzelfde ogenblik maatschappelijke signalen geïnterpreteerd en proberen een ontluikende markt te bedienen met een evenement. Net als in alle andere industrieën komen beursorganisatoren op hetzelfde moment op hetzelfde idee. De markt beslist wie het meeste overredingskracht heeft.

Reactie twee: hou op met steeds weer nieuwe nichebeurzen te creëren. De markt is verzadigd en een exposanteneuro kan maar één keer uitgegeven worden. Laten we ons beperken tot de bestaande beurzen en proberen daar nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen een plaats in te geven. Door steeds weer nieuwe evenementen te creëren versnipperen we de markt tot hij voor niemand nog leefbaar is.

Betrokkenheid

Kan een beursorganisator iets leren van een marketer die in de FMCG zit? Waarschijnlijk wel. Bijvoorbeeld dat je moet denken in termen van merken en unieke voordelen en positioneringen. Unilever heeft vier merken margarine en halvarine en minarine. Elk van die merken is gericht op een vrij scherp afgelijnde doelgroep die valt voor een uniek voordeel. Licht en luchtig? Effi! Goed voor hart en bloedvaten? Becel! Om te bakken? Solo! Smaak voor op de boterham? Planta! We herkennen het feilloos, - omdat Unilever er veel geld voor over heeft om ons zover te brengen.

Bij beurzen wordt de spontane herkenning in hoofdzaak bepaald door 2 factoren: de geografische nabijheid en de eigen betrokkenheid bij het thema. Wie van car tuning houdt, weet op welke momenten er waar gespecialiseerde beurzen over car tuning plaats vinden. Wie van boten houdt, weet dat hij in het voorjaar in Flanders Expo moet zijn. Mensen die van handwerk houden en voortdurend op zoek zijn naar nieuwe patronen, volgen de Creativa-beurs zelfs buiten de landsgrenzen. En wie in Wemmel op de Romeinsesteenweg woont, weet heus wel wanneer er in Brussels Expo een grote beurs op komst is. Maar verder…

Zijn er te veel beurzen en werkt die versnippering averechts? Dat zijn twee verschillende vragen. Om met die eerste te beginnen: niemand anders dan de markt kan besluiten dat er te veel beurzen zijn. Beurzen floreren dankzij het feit dat er meerdere aanbieders van producten en diensten zijn die met elkaar in concurrentie treden. Hoe meer concurrentie, hoe meer concurrerende firma’s, hoe groter het potentiële aantal exposanten. Het zou heel erg inconsequent zijn om voor beurzen zelf dan plotseling een andere redenering te gebruiken. Beursorganisatoren zouden de vrije concurrentie aan de borst moeten koesteren.

Prijselasticiteit

Tweede vraag dan: werkt versnippering averechts? De ervaring leert dat een beurs – zeker een publieksbeurs – een bepaalde kritische massa moet hebben om mensen in beweging te kunnen brengen. Je kan misschien één keer bezoekers lokken met een dooie mus, maar dat lukt je geen tweede keer en zeker geen derde keer. Beursorganisatoren hebben – net als alle anderen die zich richten tot ‘de consument’ - af te rekenen met mondige en veeleisende individuen. Veertig jaar geleden was een beurs een Feestelijke Aangelegenheid die de hele stad (en het hele hinterland) in beroering bracht. Vandaag zijn de alternatieven voor een namiddagje beursbezoek legio. De beursorganisatoren moet dus ook hier in concurrentie treden. Hij doet dat onder meer door meer te adverteren en door de belevingswaarde voor de bezoeker te verhogen.  Er moeten meer toeters en meer bellen bij, - en dat kost geld, dat door iemand opgehoest zal moeten worden: de organisator, de exposanten of de bezoekers. Toegangskaartjes voor beurzen zijn nogal prijsgevoelig; daar haalt dus relatief weinig te halen. Bij de exposant dan maar? Ook een exposant kan zijn B&T-euro maar één keer uitgeven. En hij verwacht voor die investering een aanvaardbare return. Net die return kan een probleem worden wanneer teveel mensen in dezelfde vijver gaan vissen. Als de return er niet is, haken exposanten af. Daardoor verschraalt het aanbod en komen er nog minder bezoekers opdagen. Met nog minder return tot gevolg. In die optiek kan versplintering contraproductief zijn.

Subregionalisme

Er is echter een maar… Voor een aantal producten en diensten hecht de consument veel belang aan lokale verankering: wat ik aankoop, moet van hier komen en niet van daar. Tussen hier en daar ligt vaak niet meer dan 50 kilometer. In het boek ‘Exposé. Beursorganisatoren en hallenexploitanten in Woord en Beeld’ noemt directeur-generaal Olivier Lemaire dat fenomeen bij naam: subregionalisme. Als het over transacties gaat, zijn mensen geneigd de voorkeur te geven aan het stadsgewest waar ze het meest mee vertrouwd zijn. Hoe groter de afstand tussen de eigen woonplaats en de plek waar de beurs plaatsvindt, hoe hoger de psychologische drempel die overwonnen moet worden om de bezoeker op de beurs te krijgen én hem tot aankopen aan te zetten. Als die redenering klopt én als de eco-bio-reflex inderdaad leeft bij de doorsnee Belg, dan is er én in Brussel én in Kortrijk plaats voor een eco-bio-evenement. En in Antwerpen, Charleroi, Gent, Luik en Namen. Net zoals er in al die steden ook ruimte is voor een trouwbeurs en een babybeurs.


 
Leve de crisis...
Verrassing één: de landbouwbeurs SIA in Parijs sloot eind februari haar deuren met 670.000 bezoekers op de teller, goed voor een stijging met 10%. Nochtans hadden behoorlijk wat exposanten in de aanloop naar de beurs afgehaakt. De bezoekers trokken zich daar blijkbaar niet veel van aan en kwamen en masse naar de beurs.

Verrassing twee: na twee dagen professionals only scoort de vijftigste editie van Batibouw beter dan alle vorige edities. Nochtans ligt de hele bouwsector op apegapen en klagen de aannemers en vaklui steen en been. Maar dat weerhoudt er hen niet van hun vakbeurs te bezoeken.

agribex2004_010.jpg Het mag mij niet verwonderen, zegt directrice Annie Arsaut-Mazières van de vakorganisatie Foires, Salons et Congres de France in een interview met Nouvel Economiste. In onzekere tijden kiezen bedrijven voor een zekere manier om met bestaande en nieuwe klanten in contact te treden. Als het even wat minder gaat, is een vakbeurs een prima plek om (toch nog) zaken te doen.

Er valt wat te zeggen voor de stelling van Annie Arsaut-Mazières. Beurzen zijn bij uitstek het een communicatieplatform voor kleine en middelgrote bedrijven. Grote industriële ondernemingen kunnen een arsenaal aan middelen inzetten: print campagnes, radio- en tv-reclame, lobbying en public relations, direct marketing en webvertising… Vaak worden alle registers tegelijk opengetrokken. En in slechte tijden gaan ze net zo makkelijk weer allemaal dicht. Kleinere bedrijven moeten selectiever met hun communicatiemiddelen omspringen – in slechte én in goede tijden – en vooral letten op de resultaten die de investeringen in communicatie opleveren.

Een krimpende economie zet aan tot algemene voorzichtigheid. Bijna iedereen die zaken doet, merkt dat. Het moet allemaal wat bescheidener en het duurt wat langer voor de getekende bestelbon op de fax ligt. Ook beursorganisatoren voelen die terughoudendheid; ze moeten meer inspanningen leveren om exposanten over de streep te trekken, af en toe worden ze geconfronteerd met bedrijven die simpelweg afhaken. Maar wanneer de deuren van de beurs openzwaaien, is het business as usual. Omdat iedereen zoveel vertrouwen heeft in het medium, zegt de directrice van FSCF. En omdat het voor veel KMO’s het enige overblijvende communicatiekanaal is. Ze kan gelijk hebben, maar dat zijn wel twee verschillende dingen…

Zijn beursdeelnames het enig overblijvende communicatiemiddel voor kleine en middelgrote bedrijven die met recessiefenomenen geconfronteerd worden? Ik mag hopen van niet, want die andere communicatiemiddelen hebben ze nodig om hun beursdeelname überhaupt tot een succes te kunnen maken. Natuurlijk, niet in de mate waarin megabedrijven ze gebruiken, maar toch… Er is terecht reden tot ongerustheid op het ogenblik dat nog meer bedrijven aan beurzen deelnemen zónder ook een communicatiebudget te voorzien.

Hebben bedrijfsleider – en bedrijfsleiders van KMO’s in het bijzonder – veel vertrouwen in het medium beurzen? Het zou fantastisch zijn mocht dat daadwerkelijk zo zijn, maar dan nog blijft de vraag: waarop is dat vertrouwen gebaseerd? Niet op zorgvuldig geverifieerde cijfers, zo blijkt: meer dan 60% van de exposanten in Frankrijk formuleert geen specifieke doelstellingen voor een beursdeelname. Een nog groter percentage ‘vergeet’ resultaten te meten. Op een buikgevoel dan maar? Zou kunnen. Is zelfs waarschijnlijk. Over alle branches, disciplines en bedrijfsgroottes heen, is een vakbeurs toch ook altijd een feestje dat je niet wil missen. Dat is een troef – geen twijfel mogelijk – maar het mag niet verdoezelen dat aantoonbare, becijferde, gedocumenteerde en beargumenteerde return on investment de enige manier is om de slagkracht van het medium te ‘bewijzen’.
Oef...'t is af!
Had u het gevoel dat het ritme waarmee op deze blog gepost wordt wat aan de lage kant lag? Gelijk heeft u! Er was een project dat nogal wat aandacht vroeg en dan wil zo’n blog al eens het kind kan de rekening worden. Het afgelopen jaar ben ik bij zowat alle personaliteiten uit de sector beurzen & tentoonstellingen – van vroeger en van nu – op de koffie geweest voor een stevige babbel. Over hun triomfen en hun mislukkingen, over hoe het er vroeger aan toe ging en hoe het nu loopt, over hun eigen beurzen en die van anderen…en vooral over hoe ze zelf als mens tegen hun eigen vak aankijken. Heel vaak begonnen de interviews een beetje schoorvoetend, een tikkeltje argwanend zelfs. Maar na een paar uur praten begon het allemaal vlotter te gaan en kwamen de interessante dingen aan het licht. Dingen waar ook u nu iets kan van opsteken.

Oef…’t is af! Er komt een dag dat je al die boeiende en interessante en amusante gesprekken moet bundelen en bijschaven om er een coherent geheel van te maken. Daar kruipt wat tijd in, - tijd die je anders aan bloggen zou kunnen besteden. En een portie stress ook, want je wil natuurlijk dat iedereen zijn fiat geeft en dat wil wel eens op zich laten wachten. Maar goed, deze middag werd in de drukkerij het licht op groen gezet. Over twee weken laadt de vrachtwagen de boeken hier af en kunnen we beginnen verkopen.

Expose_cover_blog.jpgBijna vergeten: de titel van het boek is “Exposé. Beursorganisatoren en hallenexploitanten in woord beeld”. U leest er in het Nederlands en het Frans wat 29 personaliteiten over het beursvak te vertellen hebben. Een voorproefje kunt u vanaf vandaag op de site als pdf downloaden.
Leren van de Asia Fair
Het is, vrees ik, een erg menselijke fout: zo veel aandacht hebben voor wat verderop gebeurt, dat je niet ziet wat zich vlakbij afspeelt. Het is mij overkomen. Ik kan niet leven met de gedachte dat in Villepinte, in Keulen of in Gent een manifestatie plaats vindt die ik niet ken, maar tegelijk heb ik al vier jaar nagelaten om een bezoekje te brengen aan een beurs(je) dat zich op loopafstand van mijn woning bevindt.

Het cultureel centrum De Zandloper in Wemmel is sinds jaar en dag de vaste stek voor de Asia Fair, een special interest beurs voor Azië-fanaten die in februari 2009 aan haar achttiende editie toe was. Dit project van de vzw Belasia is in meerdere opzichten bijzonder. Is het een reisbeurs? Ja en neen. Is het een handelsbeurs? Ja en neen. Is het een voorlichtingsbeurs? Ja en neen. Is het een fundraising evenement? Ja en neen…

 De Asia Fair telt ruim 100 exposanten van de meest uiteenlopende pluimage: ambassades en luchtvaartmaatschappijen, vzw’s uit de ontwikkelingshulp en touroperators, invoerders van Aziatische voedingsproducten en uitgeverijen, importeurs van prularia en culturele verenigingen. Samen nemen zij een weekend lang de volledige capaciteit van De Zandloper in beslag. De bezoekers komen uit België, uit Nederland en uit Frankrijk naar dat kleine dorp dat in de noordrand van Brussel verstopt zit.

Blog_asiafair.jpg
Asia Fair richt zich in eerste instantie tot mensen die gebeten zijn door de ‘asian fever’, hetzij omdat ze er geboren zijn en gewoond hebben, hetzij omdat ze er al eerder heen gereisd waren. Ik behoor tot geen van beide categorieën en tóch heb ik aan mijn bezoek aan de Asia Fair een goed gevoel overgehouden. De reden is simpel: het evenement had alles wat een dergelijk evenement moet hebben:

- informatie: Niet de zoveelste reisgids die in een oplage van tienduizenden exemplaren op de markt gegooid wordt, maar mensen van vlees en bloed die – gepassioneerd - vertellen hoe ze de Mekong rivier zijn afgevaren of waarom de Borobodur bij zonsopgang op zijn mooist is. Informatie die je (bijna) nergens anders kan vinden. Betrouwbaar, op maat, met een zweem van exclusiviteit.

- entertainment: Een cultureel centrum heeft minstens een zaal met het podium en op dat podium was van alles te zien en te beleven: gamelan-orkesten, Balinese dansen, folklore... En ook naast het podium was er aan animatie geen gebrek, zowel voor de allerjongste bezoekertjes als voor de al wat oudere Azië-liefhebber: kindergrime, initiaties origami, tai chi, henna-tatouages…. Voor een neofiet als ik was zelfs het kopje noedelsoep een vorm van entertainment.

- transactie: U en ik en iedereen die een beurs bezoekt, willen met een kleine jachttrofee naar huis. Het hoeft geen huis te zijn, het hoeft geen jacht te zijn, maar het moet wel het gevoel geven dat je het koopje van de week gedaan hebt. Op de Fair Trade Mart konden de bezoekers terecht voor Thaise rijst en olie uit Siam, handwerk uit Nepal en Tibetaanse gewaden. De neofiet zag, keurde en kocht…
- erkenning: Het mag gezegd: de bezoekers werden bepaald vriendelijk onthaald door de vrijwilligers van Belasia, door de mensen die de standen bevolkten én door de teams in de cateringpunten. De Asia Fair baadt in een losse en informele sfeer en dat werkt aanstekelijk bij alle bezoekers. Het evenement is mede bedoeld om fondsen te werven voor allerhande humanitaire projecten in Azië. Een vriendelijk onthaal en een brede glimlach bleken heel efficiënt om een gift bij de bezoeker los te weken. Ook bij de neofieten die de Asia Fair voor het eerst bezoeken…
Expose Volk van stand Vol verwachting